Navigatie
14 april 2010     Gerechtshof Arnhem
Vrijspraak  in de zaak Lucia de B.

In De KRANTEN


Bron: Mepeller Courant

maandag 19 april 2010
# Bijzondere familie

Het is een bijzondere familie, het gezin Derksen. Vader Steven was vaak te gast bij ons in het archief. Hij werkte jarenlang aan een standaardwerk over de Joodse stadgenoten: 'Opkomst en ondergang van een toonaangevende Joodse gemeenschap'. Hij kon prachtig vertellen. Over alledaagse dingen, over zijn ervaringen als voetballer bij Alcides. In het voorjaar en in de lente zagen we hem en zijn vrouw Mien vaak voorbij fietsen. Plunjezak op de bagagedrager. Op weg om in de omgeving te kamperen.

Vlak voor de publicatie van zijn boek overleed Steven. De wetenschapper op het gebied van vredesvraagstukken had zijn levenswerk volbracht. Ik ontmoette Mien Derksen later tijdens vergaderingen van de Stichting Joods Monument, waarvan zij bestuurslid was geworden. Ze vond het een eervolle functie.

Ik belde wel eens met Wim. Hij was een vooraanstaande wetenschapper, vooral deskundige op het gebied van bestuurskunde en een tijdlang voorzitter van de Raad voor het Regeringsbeleid. Ik kreeg contact met zus Metta de Noo en haar broer Ton nadat ze me hadden geïnformeerd welk vreselijk lot Lucia de B. onderging. Ik werd gekend in hun opsporingen, kreeg uitvoerige informatie om in de Meppeler Courant te publiceren. Alleen publiciteit kon Lucia op den duur van haar levenslange gevangenisstraf afhelpen. Alle publicaties hielpen op weg naar een juridische herziening.

Het waren niet altijd gemakkelijke stukken tekst die ik via de mail kreeg toegezonden. Zo ontstond via internet en soms telefonisch een band met Metta en Ton en indirect Bram Derksen en ging ik voor de krant de zaak Luca de B. met extra aandacht volgen. Wat een werk, een inspanning, een research van zus en beide broers Derksen.

De familie lag overhoop. Ik hoorde verhalen van Metta en van moeder Mien. Ze zat er vreselijk mee in haar maag. Ik zag op de begrafenis van Mien wat de zaak Lucia de B. voor sporen binnen de eens zo hechte familie Derksen had achtergelaten. Metta, Ton en Bram en hun partners zaten op rij 1 van het uitvaartcentrum. Zij voerden ieder het woord. Wim, de Benjamin, de oogappel van het gezin, zat ergens op rij 15. Even later moest hij – emotioneel gebroken – ondersteund worden op weg naar de laatste rustplaats van Mien. Een triest gezicht.

Lucia de Berk heeft haar ervaringen op papier gezet. Haar herinneringen aan de afgelopen jaren liggen vanaf deze week in boekvorm in de winkel. Het boek 'Lucia de B. Levenslang en tbs', met een voorwoord van schrijver Maarten 't Hart, gaat over de periode tussen haar arrestatie (december 2001) en de dag dat ze in de gevangenis in Nieuwersluis wordt getroffen door een beroerte, 18 maart 2006.

Lucia de Berk schrijft over de woede, frustratie en machteloosheid die de jaren sinds eind 2001 meebrachten. De schok van de veroordelingen tot levenslang door de rechtbank en later het gerechtshof in Den Haag. Ook beschrijft ze hoe het personeel in het huis van bewaring en in de gevangenis haar vaak vernederend behandelde.

Lucia's medestanders, met name Metta de Noo-Derksen en haar broers Ton en Bram, hebben er steeds op gehamerd dat zij slachtoffer is geworden van vooringenomenheid en negatieve beeldvorming. Lucia de Berk werkte in het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag waar Arda Derksen, echtgenote van Wim, chef de clinique was.

"Op de dag dat zij moest getuigen voor de rechtbank werd zij opgenomen voor klachten van psychische aard. Dat vond ik merkwaardig", aldus Metta de Noo in NRC Handelsblad. "Mijn timide vraag aan haar man, mijn broer Wim, of er wellicht verband was tussen de zaak-Lucia de B. en Arda's klachten wees hij resoluut van de hand. Hij vond mijn suggestie ongepast. Maar doordat mijn interesse was gewekt begonnen me, als arts, ook de vreemde redeneringen over de medische aspecten van Lucia's zaak op te vallen."

Haar broer Ton, wetenschapsfilosoof, schreef in 2006 het boek 'Lucia de B. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling'. "Hoe meer onderzoek we deden, hoe overtuigder we raakten dat niet alleen Lucia onschuldig was, maar ook dat er nooit moorden waren gepleegd. Gelukkig was mijn broer Ton hoogleraar. Titels en status tellen zwaar in de rechtspraak. Een gewone arts als ik, die onregelmatigheden in de medische bewijsvoering aantoont, kan geen herziening aanvragen, mijn broer kon dat wel."

Metta de Noo heeft een boek geschreven over haar zes jaar lange gevecht tegen het grote onrecht dat Lucia de Berk was aangedaan. Het is deze week verschenen onder de titel 'Er werd mij verteld, over Lucia de B.' met als ondertitel: 'De klok, de klepel en de klokkenluider'.

Zij laat in haar boek vooral de emotionele en menselijke kant van de zaak zien. "Onze familie is erdoor voorgoed uiteengeslagen. Toen onze moeder stierf, waren haar kinderen in twee kampen verdeeld. Het ene kamp heeft er mede voor gezorgd dat Lucia achter de tralies belandde, het andere dat ze erachter vandaan kwam. Juist mijn broer en zijn vrouw waren mij heel nabij. Van het contact tussen ons is niets meer over. Ik heb lang getwijfeld of ik deze prijs wilde betalen. Maar ik kon een ten onrechte tot levenslang veroordeelde vrouw niet de kans onthouden vrijgesproken te worden."

Ton Henzen
# "Lucia" brief van prof. Groeneboom
ingezonden aan de Volkskrant – geplaatst 28-1-2009

In de Volkskrant van 24 januari jl. stond een artikel van Malou van Hintum "Deskundige houdt vol: er zat digoxine in dat kind". De kopjes en tekening bij dit artikel zijn gemakzuchtig en misleidend. Ze zijn bijvoorbeeld gemakzuchtig omdat er voor de zoveelste keer de tekening van Lucia als heks bij is geplaatst. Misleidend omdat er niet staat: "Prof. de Wolff houdt vol: er zat geen digoxine in dat kind", maar "Deskundige houdt vol: er zat geen digoxine in dat kind". De deskundige Professor DasGupta zei bijvoorbeeld in NOVA op 29 september 2007: "Digoxine is niet de doodsoorzaak bij deze baby. Alle informatie wijst erop dat deze baby niet aan digoxine vergiftiging gestorven is." Professor DasGupta is een echte deskundige op het gebied van digoxine en heeft meer dan 100 publicaties over digoxine op zijn naam, de door justitie geraadpleegde prof. de Wolff daarentegen nul.

Het is ook gemakzuchtig en misleidend om te zeggen: "Lucy de B. is alweer een poos op vrije voeten, maar de discussie over de doodsoorzaak van baby A. lijkt nog niet klaar." Het rapport uit Straatsburg dat de digoxine vergiftiging niet heeft bevestigd is om niet verklaarde redenen 2 jaar in een la blijven liggen, maar is nu toch boven water. Zowel de CEAS (Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken) als de Hoge Raad hebben geconstateerd dat het argument van digoxine vergiftiging niet onderbouwd is. Waarom wordt dan nu toch weer de Wolff met deze sensatie zoekende kopjes geciteerd? Hoe moet dat zijn voor Lucia de B. zelf? Op die manier krijgt zij nooit de kans tot een normaal leven terug te keren.

Prof. P. Groeneboom
Utrecht

Ingezonden brief van Metta in de NRC op 26 juli 2008

# Rechters kunnen juist geen ‘eigen vlees’ keuren

In NRC Handelsblad van 16 juli over de nieuwe herzieningsprocedure wordt gesteld dat minister Hirsch Ballin “op zichzelf” een juiste keuze heeft gemaakt door geen onafhankelijke herzieningscommissie in te stellen. Immers „de rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien”.
De afgelopen vier jaar heb ik in de zaak Lucia de B. van nabij mogen ervaren hoe rechters hun eigen vlees keuren. Een reden om juist ernstige twijfel te hebben of het rechtelijke systeem wel in staat is eigen feilen op te sporen en te corrigeren.
Vanaf juli 2004 wisten enkele mensen binnen die rechterlijke macht dat de bewijsvoering tegen Lucia gebaseerd was op “collaborative medical story telling”. Toen de Hoge Raad het cassatieverzoek behandelde waren de ‘contrabewijzen’ al publiekelijk bekend. Toch heeft de Hoge Raad zich in februari 2006 nog expliciet uitgesproken tegen het opnieuw beoordelen van de wijze van bewijsvoering. Men wilde een einde aan het gemor, was dat zogezegd “spuugzat”. Ruim twee jaar en een beroerte later kwam Lucia voorlopig vrij. Dezelfde Hoge Raad gaat nu haar zaak weer bezien. Psychologisch gezien moet dat alleen al de nodige frictie geven.
Juristen beschouwen het rechtsysteem niet als een collectief democratisch instituut maar als hun persoonlijk goed. Externen die hulp bieden bij de waarheidsvinding worden a-priori gediskwalificeerd als ‘partijdig’. Het OM wil ‘eigen’ deskundigen opleiden en registreren. Daarmee houdt men de groep select, maar dat kan ten koste gaan van de onafhankelijkheid, wetenschappelijke kennis en diversiteit. Het is niet te danken aan het zelfreinigend vermogen van het OM dat ernstige dwalingen boven tafel zijn gekomen. Het zijn die externen die òndanks alle tegenwerking vanuit het systeem de juridische ogen een beetje hebben geopend. Bij het binnenskamers houden van een herzieningsprocedure kunnen die ogen weer al te gemakkelijk gesloten worden.

N.a.v. redactioneel commentaar NRC: "Ten halve gekeerd"

Le Pair in smoking
Ingezonden brief van C. le Pair in de NRC op 26 juli

Deze krant steunde voorzichtig het voorstel van Minister Hirsch Ballin “verruiming mogelijkheid heropening rechtzaken”, met de kritische aantekening dat de gekozen weg de rechtelijke macht geen “lerende organisatie” maakt. Er is, dunkt mij, meer op het voorstel aan te merken.

In ons rechtsysteem wordt bij ‘hoger beroep’ een zaak door andere rechters opnieuw bekeken. Dat is ook het geval in laatste instantie, bij de Hoge Raad. Waarom zou de afweging van een verzoek tot ‘herziening’ dan wel de verantwoordelijkheid van dezelfde personen moeten zijn? Dat past niet bij de overige logica.
Ten tweede: In het voorstel wordt de stem van leken, dat zijn voor de minister niet-juristen, buiten de deur gehouden. Maar in een aantal spraakmakende gevallen, die in de afgelopen tijd het systeem in opspraak brachten, lag de fout niet in hoofdzaak bij de juridische behandeling. Er is een systeemfout. Juristen zijn niet competent bij technische aspecten van sommige cruciale bewijzen. Wij zagen blunders door de inschakeling van ondeskundige ‘deskundigen’ en door verkeerd begrip van technische expertises. Juist als bewijsmiddelen uit de exacte wetenschappen een hoofdrol spelen, mag bèta-inzicht niet buiten spel blijven. De instantie, die beslist over herziening van ‘afgesloten’ rechtzaken, zou die competentie daarom uitdrukkelijk wel moeten hebben. Die zou dus niet alleen uit leken op het gebied van de exacte wetenschappen (juristen) mogen bestaan.
Een euvel dat het voorstel ook niet adresseert, betreft de interne mobiliteit van functionarissen in de staande en zittende magistratuur. Regelmatig fungeren in het beoogde, onafhankelijke, hoger beroep personen die al in eerdere instantie bij de zaak waren betrokken en die (mede-)verantwoordelijk waren voor het toen gevelde vonnis. Zij zijn inmiddels naar een hogere functie bevorderd. In feite vragen we hen dan op hun nieuwe post toe te geven dat ze vroeger fouten hebben gemaakt. Dat is voor de meeste mensen te veel gevraagd. Niet alleen verdachten gaan dan twijfelen aan de onafhankelijkheid.

Dr. C. (Kees) Le Pair
Ex-directeur Technologie Stichting STW, Nieuwegein

Brief van Piet Groeneboom zoals ingezonden aan NRC·Next

In het redactioneel commentaar van 16-7-2008 op het voorstel van minister Hirsch Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt, wordt opgemerkt:

"Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze."

Hier staan zonder argumenten een aantal beweringen achter elkaar die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze "op zichzelf juist"?
Wat is hiervoor het argument? Lucia de Berk zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.
In het voorstel van minister Hirsch Ballin worden niet-juristen echter nog steeds geweerd en komt er geen onafhankelijke commissie, zoals bijvoorbeeld in Engeland de Criminal Cases Review Commission (CCRC).
Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70% van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is.
In Nederland zijn sinds 1997 slechts 3 zaken heropend, waaronder de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde heeft bekend.
Minister Hirsch Ballin en ook Mr. Brouwer haasten zich in interviews steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker? De ervaringen van de CCRC wijzen in een andere richting!

Prof. Dr. P. Groeneboom

Deze ingezonden brief van Piet Groeneboom is in een door de redactie zonder voorkennis volledig gewijzigde en gecensureerde vorm verschenen in NRC.Next op 30 juli. Zie met betrekking tot de censurering door NRC.Next: Piet Groeneboom's blog

Piet mailde ons hierbij:

"Ik begrijp wel dat het Haagse Hof en prof. Elffers liever niet herinnerd willen worden aan de fouten die ze gemaakt hebben met betrekking tot de statistische argumentatie, maar ik begrijp niet waarom NRC en NRC.Next hen hierin slaafs moeten volgen en zelfs zo ver menen te moeten gaan dat ze mijn brief op dit punt censureren."

"We moeten toch proberen er op te blijven wijzen dat de bewering dat statistiek geen rol heeft gespeeld [in de zaak Lucia de B.] een leugen is, lijkt me."

Zie ook de forum discussie "Zo is het precies" van 26 juli 2008 op het weblog van Maurice de Hond

HJ Vonk schreef:
In de NRC van 16 juli jl. is een artikel verschenen waarin minister Hirsch Ballin lof werd toegezwaaid voor zijn 'goede keus', om geen onafhankelijke commissie ter herziening van onherroepelijke arresten toe te laten. Volgens de schrijver bewijst de rechterlijke macht iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Bij een dergelijke stelling kan men niet meer spreken van een beperkte blik, maar van een onjuiste voorstelling van zaken, ja zelfs van valse voorlichting.
Met name de Telegraaf biedt de laatste tijd regelmatig een blik in de justitiële en gerechtelijke keukens, zowel van de Gerechtshoven als de Hoge Raad , waarbij elke eetlust de kritische lezer vergaat...

Irene E. schreef:
Zowel Metta de Noo als Dr. C.le Pair schreven, naar mijn mening, 'n geweldig goeie ingezonden brief. Dìt soort brieven hebben volgens mij meer zin dan de talloze rondjesdraaiende discussies elders...

Redactioneel commentaar in de NRC van 16 juli 2008

# Ten halve gekeerd

Onjuiste veroordelingen en onjuiste vrijspraken kunnen voortaan makkelijker worden gerepareerd. Minister Hirsch Ballin (CDA, Justitie) presenteert nu een belangrijk wetsvoorstel voor een zorgvuldiger rechtsgang. Daarvoor was aanleiding, na enkele spectaculaire missers. In één geval ging het om een aperte dwaling, in andere gevallen om zeer ernstige twijfel over de juistheid van rechterlijke vonnissen.

Tegelijk bleek de herzieningsprocedure bij de Hoge Raad niet te werken. In een aantal zaken ging bij nader onderzoek een doos van Pandora open. De betrouwbaarheid van de professionele rechtspraak stond nooit eerder zo ter discussie als nu. Er kan rustig van een crisis in de rechtsstaat worden gesproken. Dat de herziening verruimd moest worden was communis opinio. Correctie van een onjuiste vrijspraak (ne bis in idem) is wel omstreden. Maar met de beperking tot zeer zware misdrijven en exceptionele omstandigheden valt ermee te leven. De vraag is daarom vooral of de ingreep van Hirsch Ballin voldoende is om het vertrouwen te herstellen.

Het kabinet kiest ervoor de nieuwe herziening aan de rechterlijke macht zelf over te laten. De opstand der externe deskundigen tegen sommige vonnissen wordt niet gehonoreerd met een permanente visitatiecommissie van buitenstaanders. Er komt dus geen orgaan van onafhankelijke buitenstaanders naar Brits voorbeeld. Rechters blijven zichzelf beoordelen. De minister vertrouwt erop dat ook ná de laatste instantie, rechters elkaars werk voldoende kritisch kunnen beoordelen om tot herziening ervan te besluiten.

Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze.

Maar het is niet zonder risico. In hogere instantie te worden tegengesproken is voor rechters ook routine. Het heeft echter geen andere gevolgen dan die ze er zelf aan verbinden. Een cultuur van leren en corrigeren is er nauwelijks. Erkennen rechters fouten? Nemen ze publiekelijk de verantwoordelijkheid? De ervaringen na de Schiedammer parkmoord waren wisselend. De rechtbank Rotterdam evalueerde zichzelf en bracht conclusies naar buiten. Het Hof Den Haag hield de deuren dicht.

Herziening van dwalingen binnen de eigen beroepsgroep loopt de kans dus even onopgemerkt te blijven als hoger beroep of cassatie. Zo wordt de rechterlijke macht geen lerende organisatie. Herziening zou behalve over de zaak zelf ook over het apparaat moeten gaan. Nu er niet voor is gekozen daar een externe club voor in te richten, ligt de bal bij de rechters zelf. De rechterlijke macht zou bij een geslaagde herziening van een definitief vonnis ook het eigen voorafgaande falen moeten onderzoeken, erkennen en redresseren.

Correctie en verantwoording afleggen voor eigen fungeren hoort bij iedere professionele organisatie. Zeker bij één die een pijler onder de democratische rechtsstaat vormt.

Ook rechterlijke macht moet durven leren van dwalingen.

Origineel van de ingezonden brief van Ton Derksen aan het NRC, geplaatst op 5 juli 2008.
Reactie op interview "Overtuigde rechters" met hoogleraar rechtsgeleerdheid Tineke Cleiren, NRC 28 juni 2008.

# Antwoord op mevrouw Cleiren

In de NRC van 28 juni j.l., in een interview met Folkert Jensma, acht mevrouw Cleiren (raadsheer en hoogleraar strafrecht) het tijd iets terug te zeggen tegen academici “die achteraf zoveel ophef maken bij afgesloten strafzaken”. Haar grote algemene zorg ten aanzien van hen (ze noemt Richard Gill en mij met name) is dat ze een “onjuridische blik” blik hebben. Ze geeft hier vijf concrete voorbeelden van. (1) Genoemde academici beseffen niet dat de rechter, in tegenstelling tot de wetenschapper, moet beslissen, hij kan niet in dubio blijven; (2) Genoemde academici beseffen niet dat de rechter meer functies moet dienen dan de empirische. “Hij moet aan de onbalans, de maatschappelijke verstoring een eind maken”; (3) Door de ophef die de academicus veroorzaakt, krijgt de verdachte “geen eerlijk proces”. “De rechter is bevooroordeeld geraakt”; (4) De genoemde academici beginnen vanuit een wetenschappelijke instelling, maar “ze gaan zich vereenzelvigen met één van de partijen”; (5) Ze beseffen niet hoe het gerechtelijke stelsel in elkaar zit. “Het past niet in hun perceptie”, dat de rechter, wanneer er wettelijke bewijsmiddelen zijn, en veel bewijs, “toch twijfelt en vrijspreekt”.

Mevrouw Cleiren heeft op het algemene punt gelijk: wij kijken niet met een juridische blik naar het bewijsmateriaal. We ervaren dit evenwel niet als een terechte zorg. Het gaat ons om een empirische vraag “Heeft X een moord gepleegd?” Een empirisch-wetenschappelijke blik is hier vereist, niet een juridische. De algemene zorg van mevrouw Cleiren is dus misplaatst.

Ook haar vijf concrete zorgen zijn misplaatst. (1) We zijn ons bewust van de comfortabele positie van de wetenschapper. We zijn begaan met de rechter die als enige in een meervoudige kamer niet van een moord overtuigd is, maar wel zwijgend moet leven met de gedachte dat iemand die zijns inziens onschuldig is, levenslang in de gevangenis zit. (2) We beseffen terdege de maatschappelijke rol van een uitspraak: het zorgt voor een afsluiting van een zaak en brengt – idealiter – rust. Anderzijds meent ook het Nederlandse rechtssysteem, met zijn bijzonder rechtsmiddel van een voorziening, dat bij een niet terechte veroordeling het onrecht ongedaan moet kunnen worden gemaakt. Wij academici “die achteraf zoveel ophef maken bij afgesloten strafzaken”, doen niets anders dan proberen een onrecht te herstellen dat (in de woorden van procureur-generaal H. Brouwer) “rechtstatelijk een ramp is”. (3) Het derde verwijt is een gotspe van formaat. Het is alleen door de inzet van mijn zus en mij geweest dat er nu aandacht voor de zaak Lucia de B is, en dat de Hoge Raad zich nu buigt over een herzieningsverzoek van het parket van de Hoge Raad. Alleen dankzij de inzet van academici is er nu (de mogelijkheid van) een eerlijk proces. Wel vermakelijk is de zorg voor de rechter die door een beetje maatschappelijke commotie bevooroordeeld zou geraken. Was hij juist niet de professional die boven het gezwalk van maatschappelijke beroering zou staan? (4) We zijn op basis van uitgebreide studie en zorgvuldige argumentatie ervan overtuigd geraakt dat Lucia de B. geen moorden heeft gepleegd, en niet op basis van vooringenomenheid. Waarop baseert mevrouw Cleiren haar verdachtmaking van onze partijdigheid? Iemand is toch niet partijdig alleen omdat hij op basis van argumenten voor een bepaald standpunt argumenteert? Dit is een misverstand, zowel een raadsheer als een hoogleraar strafrecht onwaardig. (5) Het is verre van ons een rechter te veroordelen die vrijspreekt omdat hij meent dat het bewijsmateriaal qua logische bewijskracht en waarheidsvinding onvoldoende is (ook al is het juridisch voldoende). Deze rechter ziet terecht dat het uiteindelijk gaat om de empirische vraag: Is er voldoende reden om te denken dat X een moord heeft begaan? In plaats van deze rechterlijke reactie niet te begrijpen, juichen we deze houding juist toe. Onze zorg betreft de omgekeerde situatie waarin selectie van bewijsmateriaal plus zijn overtuiging het de rechter mogelijk maakt tot een veroordeling te komen, terwijl logisch gezien en qua waarheidsvinding het totaal van het bewijsmateriaal zo'n oordeel onvoldoende ondersteunt.

Ik concludeer dat academici “die achteraf zoveel ophef maken bij afgesloten strafzaken”, niet meer deden dan dáár een handje helpen waar die hulp nodig was. Het geeft geen pas een beargumenteerde poging om een rechtstatelijke ramp op te heffen, in een zwart daglicht te stellen. Onschuldigen behoren niet in de gevangenis, hoezeer een veroordeling ook juridisch een afsluiting betekent, en hoezeer het allerlei gedoe geeft wanneer academici achteraf argumenteren dat de veroordeling onvoldoende gegrond is.

Ton Derksen
em. hoogleraar wetenschapsfilosofie,
auteur van Lucia de B.: een reconstructie van een gerechtelijke dwaling en Het OM in de fout.

Zie ook de forumdiscussie "Overtuigde rechters" van 8 juli 2008 op het weblog van Maurice de Hond

Maurice over Ton's brief: "Het geeft goed aan hoe deze rechter, zoals zovelen helaas bij de rechterlijke macht en het OM, niet begrijpt hoe empirie werkt en hoe dat bij rechtszaken zou behoren te werken. Een overtuiging van een jurist mag de regels van logica niet schenden."

N.a.v. het interview met prof. Tineke Cleiren in de NRC
Ingezonden brief door Frans Kerstholt van zondag 29 juni 2008

# Juridisch denken als magisch residu in een gerationaliseerde wereld

Geachte Redactie,

Het interview met raadsheer prof. Tineke Cleiren heeft mij duidelijk gemaakt waar de schoen wringt in onze rechtspraak. Dat is de door juristen gecultiveerde waan dat bewijsvoering in de strafrechtspraak iets heel anders is dan vaststelling van gangen van zaken in de empirische wetenschappen.
Mevrouw Cleiren stelt terecht dat de centrale vraag voor een rechter is: “Is er gebeurd wat in de tenlastelegging staat?” Wat zij niet schijnt te beseffen is dat compleet analoge vragen centraal staan in de empirische wetenschap, vooral in de niet-experimentele. Dat zijn bijvoorbeeld wetenschappen die zich met historische of misschien beter evolutionaire processen bezighouden. De sterrenkunde is een aardig bèta voorbeeld. Een theorie over de evolutie van een specifiek deel van het heelal stelt dat bepaalde dingen in een bepaalde volgorde gebeurd zijn. Zo'n theorie of hypothese wordt vervolgens met de geëigende methoden onderzocht en tot een oplossing gebracht, getoetst heet dat. De taak van de rechter is niet anders. Hij moet met de geëigende methoden de door het OM aangebrachte hypothese “er is gebeurd wat in de tenlastelegging staat” toetsen.
Wat de laatste jaren steeds duidelijker geworden is, is dat de rechter niet goed weet wat die geëigende methoden zijn. Hij kan juridisch denken, maar van de methodologie van de empirische wetenschap, die ook op zijn kernvraag van toepassing is, heeft hij geen kaas gegeten. Terwijl er ondertussen ook in het Nederlands inmiddels goede en leerzame voorbeelden voorhanden zijn. Het boek Het Om In De Fout van Prof. Ton Derksen laat zich heel goed lezen als een reeks praktijkvoorbeelden van wat wetenschappelijk verantwoorde waarheidsvinding in de justitiële praktijk zou moeten inhouden. Daarvoor is nodig dat men de hierboven gesignaleerde waan opgeeft en de overtuiging van de rechter, die in het betoog van Cleiren de rol van een magisch ultimum remedium speelt, tot een wat menselijker maat terugbrengt.

Dat de Nederlandse rechter nauwelijks bewijs nodig heeft om tot een veroordeling te komen wordt door Cleiren verdedigt met een verwijzing naar seksuele delicten, die anders bijna nooit bestraft kunnen worden. Dat de kans op veroordelingen van onschuldigen daardoor enorm toeneemt, komt blijkbaar niet bij haar op.

Er valt nog veel meer op te merken bij het interview. Ik beperk mij tot één punt. Het is niet fair dat wetenschappers, die zich met strafrechtspraak bemoeid hebben worden voorgesteld als mensen die zich uiteindelijk vereenzelvigen met één van de partijen. Je moet maar een eenvoudig verpleeghuisarts met een uitstekend verstand te zijn, of een goed getrainde en intelligente bioloog zijn, of hoogleraar wetenschapsfilosofie en je moet merken dat justitie het liefst niets doet met jouw argumenten over de volstrekt gefaalde waarheidsvinding in een specifieke zaak. Wie zich dan niet gaat vereenzelvigen met een partij in de zaak, verzaakt mijns inziens zijn wetenschappelijke roeping.

Dr. F.Th.S. Kerstholt,
Universiteit Tilburgpublicaties

Volkskrant – 4 juni 2008

# Het gaat erom of iemand iets wel of niet gedaan heeft

In een Revisieraad voor rechtelijke dwalingen moeten naast juristen ook wetenschappers zitting hebben, betogen Ton Derksen en Maurice de Hond.

Paul Mevis ziet veel mis in het Nederlandse rechtssysteem: officieren doen hun werk niet goed, rechters stellen zich te weinig actief op en motiveren hun beslissingen onvoldoende (Forum, 31 mei). In dit opzicht is hij een realistische jurist. Dit realisme verlaat hem wanneer hij komt te spreken over rechterlijke dwalingen.

In zijn ideale wereld waarin rechters meer onderzoek doen en meer motiveren, is het ongepast dat burgers ‘onherroepelijke’ rechterlijke beslissingen ter discussie stellen. Zijn argument voor deze uitsluiting boezemt geen vertrouwen in: ‘Die (beslissingen) kunnen namelijk ook juist zijn.’ Leg dat maar eens uit aan iemand die meent ten onrechte veroordeeld te zijn.

Mocht er toch reden zijn te twijfelen aan een onherroepelijke rechterlijke beslissing, dan – zo vertelt Mevis ons – kan dat alleen ‘adequaat’ door ‘professionals’ (altijd weer dat magische woord als er iets mis gaat in de wereld van OM en rechters) uit de rechtspraktijk onderzocht worden.

Dit gaat, zoals in het boek van Derksen, Het OM in de fout, wordt aangetoond, precies voorbij aan het cruciale punt: bij herzieningsaanvragen gaat het doorgaans niet om juridische punten, maar om de empirische wetenschappelijke vraag of iemand iets wel of niet gedaan heeft. Het is daarom onverstandig nòg weer een jurist naar de zaak te laten kijken: hij mist de gewenste wetenschappelijke scholing. Het is ook niet behoorlijk: een slager hoort niet zijn eigen vlees te beoordelen. Om onherroepelijke rechtelijke dwalingen te beoordelen, is derhalve een onafhankelijke Revisieraad nodig waarin naast juristen wetenschappers zitting hebben. Blijkt gerede twijfel over de beslissing, dan gaat de zaak terug naar de rechter.

Ook op het punt van een novum, een nieuw feit dat de Hoge Raad (HR) vereist voordat het een herzieningsverzoek aanvaardt, is Mevis te gedwee. De HR vergt nagenoeg het onmogelijke. Er moet een nieuw feit zijn dat de rechter nog niet kende. Zonder zo'n feit (een mes, nieuw DNA) geen toekenning van een herzieningsverzoek. Er is dus geen novum als een rechter argumentatief geblunderd heeft of de relevantie van een feit niet heeft ingezien. Mevis' ‘oplossing’, namelijk dat eerst mag worden onderzocht of er een novum in strikte zin is, laat deze belangrijke feilen in waarheidsvinding onaangeroerd.

Mevis noemt de zaak Lucia de B. als voorbeeld van hoe het moet: het parket bij de HR deed het onderzoek en vond een novum. Dit is de gotspe van het jaar: nadat drie rechters, drie raadsheren, vijf Hoge Raadsheren in cassatie gefaald hebben, nadat anderhalf jaar onderzoek van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken snuivend terzijde is geschoven, zal nu, na acht maanden onderzoek, genoemd parket een herzieningsaanvraag indienen. Deze aanvraag is inmiddels uitgesteld. Vreest het parket dat zijn novum niet door de HR aanvaard zal worden? Bij een herzieningsaanvraag gaat het om fouten in waarheidsvinding. Alles dat zo'n soort fout plausibel maakt, hoort een novum te zijn!

Ton Derksen is emeritus-hoogleraar wetenschapsfilosofie.
Maurice de Hond is opiniepeiler.

Copyright: Ton Derksen, Maurice de Hond.

de Volkskrant, Forum, 4 juni 2008 (pagina 9)
Volkskrant archief artikel

[Dit artikel is een reactie op het opiniestuk van Paul Mevis dat we voor de duidelijkheid hieronder plaatsen.]

Volkskrant – 31 mei 2008

# Revisieraad is verkeerd signaal

Zowel Ton Derksen als Niels Laaper hebben (ook namens het Comité Lucia de B.) reacties geschreven op dit opiniestuk:
Artikel op 4 juni 2008 van Ton Derksen en Maurice de Hond.
Open Brief op 11 juni 2008 van Niels Laaper.

Om fouten in strafzaken te bestrijden, moeten rechters ertoe worden aangezet de zaak vooraf beter te onderzoeken, betoogt Paul Mevis.

In een advertentie in de Volkskrant (27 mei) pleiten wetenschappers voor de instelling van een Revisieraad die afgesloten strafzaken moet kunnen onderzoeken om te bezien of daarin fouten zijn gemaakt.

De initiatiefnemers kiezen echter de verkeerde weg. Revisie betreft het openbreken van rechterlijke beslissingen, nadat die zijn genomen. Daarmee spant men het paard achter de wagen. Rechterlijke beslissingen moeten niet pas daarna worden onderzocht. De rechter moet veel meer worden aangezet pas te beslissen nadat hij onderzocht heeft.

Strafzaken worden onderzocht door politie en OM en berecht door de rechter. De rechter onderzoekt de strafzaak opnieuw en ook het onderzoek van politie en justitie. Fouten kunnen worden voorkomen doordat de rechter bij zijn onderzoek ter terechtzitting voldoende controle uitoefent op de wijze waarop een strafzaak door het OM is onderzocht. Dan moeten rechters bijvoorbeeld vaker luisteren naar de bandopnames die tegenwoordig van verhoren door de politie worden gemaakt.

Getuigen vaker op de terechtzitting opnieuw ondervragen is geen dubbel werk, maar controle en onderzoek door de zittingsrechter waardoor verkeerde beslissingen worden vermeden. Zo wordt de rechter minder afhankelijk van het dossier in de strafzaak. De advocatuur moet de rechter beter tot dat onderzoek kunnen aanzetten.

De richting van het onderzoek door politie en OM moet kunnen worden gecontroleerd en zonodig beïnvloed. Daartoe dient het instituut van de rechter-commissaris (een rechter die in het onderzoek door politie en justitie mee kan sturen) te worden versterkt. Van de officier van justitie mag aan het einde van zijn onderzoek een accountantsverklaring worden gevraagd waarin hij uitdrukkelijk mededeelt dat het dossier compleet is en er geen relevante informatie is achtergehouden.

Ten slotte moeten rechters uitgebreider opschrijven en beredeneren waarom zij iemand veroordelen. Met name moeten zij in hun beslissing uiteenzetten hoe ze zijn omgegaan met feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de verdachte niet de dader is.

Rechters zijn daar overigens al, op eigen initiatief, mee bezig in het zogeheten PROMIS-project. Als de volksvertegenwoordiging tot iets moet worden opgeroepen, dan is het wel tot versterking van rechterlijk onderzoek voordat beslist wordt; de wetgever is er zelf medeverantwoordelijk voor dat het belang van goed en uitgebreid rechterlijk onderzoek de afgelopen jaren is uitgehold.

Ook als rechterlijk onderzoek wordt verbeterd, blijven fouten onvermijdelijk. Om die fouten te corrigeren, bestaat het systeem van herziening. De opstellers van de petitie hebben gelijk als zij menen dat het bestaande systeem gebreken kent. Het voornaamste gebrek is dat er te weinig mogelijkheden zijn een beslissing in een strafzaak te onderzoeken als daartoe gerede aanleiding bestaat, terwijl nog niet helemaal duidelijk is of er een grond voor herziening is; onderzoek of er wellicht een herzieningsgrond aanwezig is. De wetgever zal daarin binnenkort terecht voorzien. Verruiming van de herzieningsgrond (het novum), zoals de opstellers van de petitie bepleiten, is daarvoor niet nodig.

De kern van het huidige systeem van revisie is dat het de rechter is (de Hoge Raad) die beslist of een zaak opnieuw wordt onderzocht. Dat is een groot goed omdat we zorgvuldig met onherroepelijke rechterlijke beslissingen moeten omgaan. Die kunnen namelijk ook juist zijn en die zijn bovendien, als het goed is, de uitkomst van rechterlijk onderzoek, afweging en beslissing. Men beoordeelt niet een strafzaak opnieuw ("vinden wij dat de dader het gedaan heeft?") maar men moet bezien of aan het rechterlijk onderzoek van de zaak en de daarin genomen beslissingen fouten kleven. Dat kan alleen maar adequaat gebeuren door professionals die precies met dit werk (onderzoek en beslissen van strafzaken) vertrouwd zijn.

En we vertrouwen in Nederland ter zake niet voor niets op de rechter! Die hebben we daartoe bovendien niet voor niets onafhankelijk gemaakt. Dat schept verantwoordelijkheid voor de rechter, maar ook dat men de uitkomst van een procedure voor de rechter niet zomaar door derden opnieuw kan laten beoordelen. Een Revisieraad kan dan alleen nog worden bepleit als rechters niet bereid zijn van hun eigen fouten te leren, deze weigeren toe te geven of zich achter formele regeltjes zouden verschuilen. Dat is bepaald niet het geval. "Als er iets te onderzoeken valt, zal dat onderzocht worden", zei de president van het Haagse gerechtshof ooit. Die woorden geven de opvatting binnen de rechterlijke macht goed weer.

In de Puttense moordzaak bleek de Hoge Raad bereid het novum-begrip aan te passen omdat daar reden voor was. In de zaak Lucia de B. heeft het meer binnen het bestaande systeem uitgevoerde onderzoek van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad pas werkelijk de knelpunten boven tafel gehaald, en niet het onderzoek van de daarbuiten staande CEAS.

Paul Mevis is hoogleraar strafrecht aan de Erasmus Universiteit.

Copyright: Paul Mevis.

de Volkskrant, Forum, 31 mei 2008 (pagina 9)
Volkskrant archief artikel

Panorama 15 – begin april 2008

# Column van Joop Reichart · Lucia de B. eindelijk vrij!

“Heb je toch gelijk gekregen over Lucia,” complimenteert een collega mij naar aanleiding van het bericht dat de beruchte verpleegster op vrije voeten is gesteld. Hij wist nog goed hoe ik op de redactie jarenlang goedmoedig was gejend nadat Lucia de B. in 2003 tot levenslang werd veroordeeld voor vier moorden en drie pogingen tot moord.
Nadat in september 2001 het nieuws losbarstte dat een Haags ziekenhuis een verpleegkundige op non-actief had gesteld omdat zij ervan werd verdacht een aantal doodzieke kinderen en bejaarden van kant te hebben gebracht, wist ik namelijk als eerste deze ‘Engel des Doods’, zoals ze werd genoemd, op te sporen.
Het werd een emotioneel interview, het enige dat ze ooit gaf, waarin Lucia aangeslagen reageerde op de beschuldigingen dat zij een kindermoordenares was. “Ik ga door een hel. Ik ben zelf moeder, ben juist gek op kinderen.”
Ik had te doen met die door stress en verdriet getekende vrouw. Bovendien klonk haar verweer logisch. In mijn verhaal liet ik daarom duidelijk merken weinig geloof te hechten aan alle gruwelijke indianenverhalen. Bovendien kon ik met de beste wil van de wereld in die vriendelijke blonde vrouw met haar zachte stem geen kille seriemoordenares zien.
Maar als zij enkele maanden later met groot machtsvertoon van huis wordt gehaald en justitie levenslang eist, komen collega's met hun twijfels bij mij. En na haar veroordeling in 2003, heb ik helemaal geen poot meer om op te staan. Had ik me dan toch vergist...?
Ik blijf regelmatig over Lucia publiceren en kom zo in contact met allerlei deskundigen die ook hun twijfels hebben; twijfels die met de jaren sterker worden. Onontkoombaar lijkt de conclusie dat justitie en rechters er een hemeltergende bende van hebben gemaakt.
Een jaar geleden was ik nog bij Lucia in de vrouwengevangenis in Nieuwersluis. Mentaal was ze sterk. Lichamelijk zwak, nadat ze door een herseninfarct was getroffen. Ze bleef vertrouwen houden op de goede afloop, al was ze soms ook wanhopig, moedeloos. Het duurde allemaal zo lang, het zou toch niet dat…?
Vorige week werd eindelijk recht gedaan. Haar vrijlating is voorlopig, maar als zelfs de procureur-generaal bij de Hoge Raad kritisch is over wat justitie en rechters ervan hebben gebrouwen, kan het niet anders of Lucia zal binnen enkele maanden definitief van alle blaam gezuiverd zijn.
Zeven jaar van haar leven zijn dan verwoest. Voor altijd de vlees geworden rechterlijke dwaling. Ik zal nooit vergeten hoe ze al 2001 tegen mij zei: “Vaak denk ik: wat moet ik nog met mijn leven? Hoe moet dit ooit weer goed komen?”
Écht goed zal het wel nooit meer komen, vrees ik.
Mij benieuwen wat justitie daaraan denkt te gaan doen.

Email / Krantenartikel
20-3-2008 / 28-11-2007

# Le Pair stelt De Wolff 'im Frage'

Beste allen,
De redenering van Ronald Beetz omtrent de absurde eis dat een oorspronkelijk geraadpleegde deskundige als enige een tijdens een proces gegeven getuigenis kan herroepen, deel ik natuurlijk. Maar de beschreven werkwijze van de magistratuur biedt zelfs ondanks die absurde restrictie een aanknopingspunt. Tijdens het proces was Uges Toxicologisch getuige. Die schreef daarover in de NRC op 5 november bijgaand artikel.
Over Digoxyne getuigde De Wolff. Heeft iemand hem ooit gevraagd, of hij na kennisneming van Uges' standpunt en na kennisname van het rapport uit Straatsburg en na kennisneming van de resultaten van de onderzoekingen van G. Koren - de afgifte aan het lichaamsvocht door het weefsel na de dood - nog bij zijn standpunt blijft, dat de concentratie in het sample alleen kan worden toegeschreven aan een moedwillige toediening van een te hoge dosis? Mij dunkt, dat er in deze trits gegevens zitten, die De Wolff tijdens het proces niet bekend waren, c.q. bekend konden zijn. Misschien kan hem dat bewegen te zeggen, dat hij, indien hij dat wel had geweten, niet tot zo'n definitieve uitspraak zou zijn gekomen?
Jannetje Koelewijn schreef op 28 nov. 2007 in de NRC een opmerkelijk verslag over De Wolff's gevoelens. Hij zou slapeloze nachten hebben van de zaak:


Toxicoloog De Wolff over eigen rol in zaak tegen Lucia de B.

De gerechtelijk deskundige Frederik de Wolff heeft slapeloze nachten van Lucia de B. Hij krijgt de schuld van haar veroordeling tot levenslange opsluiting.

Op 19 september 2006 stuurde de schrijver Maarten 't Hart een e-mail naar een oude vriend van hem, de toxicoloog Frederik de Wolff. Die had net afscheid genomen als hoogleraar aan het Leidse UMC en Maarten 't Hart wilde weten waarom hij in zijn rede wel had gesproken over fouten in de strafprocessen na de moorden in Schiedam en Putten, maar niet over Lucia de B.

Lucia de B. was de Haagse verpleegkundige die in juni 2004 tot levenslang was veroordeeld voor de moord op zeven kinderen en volwassenen. De Wolff was een belangrijke gerechtelijk deskundige in die zaak geweest. Hij had gezegd dat een van de kinderen was overleden door digoxine, een hartmedicijn. Met deze verklaring werd door het hof in Den Haag het bewijs tegen Lucia de B. geconstrueerd.

Maar Maarten 't Hart was ervan overtuigd dat het toeval was, die zeven doden. Volgens hem was Lucia de B. hetzelfde overkomen als Josyne van Beethoven in 1595. Die werd van hekserij beschuldigd, omdat er vier keer een paard was doodgegaan toen zij langsliep. 't Hart had er slapeloze nachten van, schreef hij aan De Wolff.

De Wolff schreef terug dat hij ook niet sliep door Lucia de B. en dat hij hoopte op een heropening van de zaak. Volgens hem was er een grondige evaluatie nodig van de processen tegen De B., door werkelijk wijze juristen die uitstegen boven het niveau van believers en non-believers in de schuld van deze vrouw. Hij wilde er graag met 't Hart over praten. Maar hij ging eerst op reis.

Maarten 't Hart dacht door die e-mail dat De Wolff met gemengde gevoelens terugkeek op zijn wellicht toch te stellige getuigenverklaringen. Hij schreef er een artikel over, dat op 7 oktober verscheen in NRC Handelsblad. De redactie berichtte dat De Wolff betwijfelde of Lucia de B. terecht tot levenslang was veroordeeld. Hij werd niet bereikt voor commentaar.

De Wolff, die nu weer terug is in Nederland, zegt dat het de verkeerde conclusie was. Hij twijfelt niet aan zijn verklaring over de digoxinevergiftiging. En over de uitspraak van het hof heeft hij geen oordeel. Ik ben geen rechter.

Waar ligt u dan van wakker?

De gedachte dat ik in de publieke opinie de schuld krijg van een onterechte veroordeling tot levenslange gevangenisstraf. En dat mijn wetenschappelijke integriteit in het geding is.

Dat komt door Ton Derksen, de wetenschapsfilosoof uit Nijmegen die een boek schreef over Lucia de B. Volgens hem is er geen bewijs voor een digoxinevergiftiging en deugt de redenering van het hof niet. Hij meldde de zaak aan bij de commissie-Buruma, die onderzoekt of er redenen zijn om de strafzaak te heropenen. Op 19 oktober werd bekend dat de zaak Lucia de B. onderzocht zal worden op mogelijke fouten. De uitslag wordt in december verwacht.

Het probleem is volgens De Wolff de positie van gerechtelijk deskundigen in strafprocessen. Rechters en aanklagers kijken in de rapporten die ze van hen krijgen naar passages die begrijpelijk overkomen of die passen in een bepaald beeld. En gerechtelijk deskundigen overzien niet altijd wat de consequenties zijn van hun op zichzelf correcte wetenschappelijke formuleringen.

Bedoelt u dat u niet wist dat het hof uw verklaring over de digoxinevergiftiging zou gebruiken als bewijs - het enige harde bewijs - tegen Lucia de B.?

Ja. Ik wist dat absoluut niet.

Als u dat wel had geweten, had dat dan wat uitgemaakt voor uw verklaring?

Nee.

Wat is dan het probleem?

Het gewicht dat aan mijn verklaring is gegeven. En de suggestie dat ik een uitspraak zou hebben gedaan over de oorzaak van de digoxinevergiftiging, namelijk toediening door Lucia de B. Ik weet niet hoe de digoxine in het lichaam van het kind is terechtgekomen. En het hof heeft het me niet gevraagd. Een deskundige is er om feiten aan te dragen, niet om een oordeel over de schuldvraag te geven.

Hij vertelt dat hij in 2004 werd gebeld door het hof, dat de zaak Lucia de B. in hoger beroep behandelde. Eerder had het Nederlands Forensisch Instituut voor de rechtbank gezegd dat er bij een van de kinderen digoxine was gevonden. Maar een toxicoloog uit Groningen sprak van een overdosis kalium. De Wolff, een ervaren gerechtelijk deskundige, werd gevraagd om het hof inzicht te geven in de toxicologische omstandigheden rond de dood van het kind.

Het antwoord, in zijn rapport, was dat de gevonden concentraties niet konden worden verklaard door therapeutische toediening van digoxine. Die was zeven weken eerder gestopt. De gevonden concentraties konden passen bij het overlijden. Voor het hof was hij stelliger: het kind was overleden door digoxine. Een rechter denkt niet in termen van mogelijk of grote kans. Die vraagt om ja of nee.

Heeft u dingen gezegd die u niet wilde zeggen?

Nee. Maar ik vind dat een kinderpatholoog en een kindercardioloog ook een oordeel hadden moeten geven. Mijn deskundigheid houdt op bij het moment dat het hart stilstaat.

U zei voor het hof dat een hart door een digoxinevergiftiging samentrekt. Later hoorde u dat het hart van dit kind niet was samengetrokken.

Toen heb ik me wel even afgevraagd of ik niet toch een denkfout had gemaakt. Maar pathologen zeiden tegen me dat een samengetrokken hart na de dood niet samengetrokken blijft.

Het Franse instituut dat op verzoek van het NFI nog een onderzoek deed, vond geen concentraties die de dood konden verklaren.

(Die uitslag kwam toen het hof al uitspraak had gedaan en dat is een van de redenen waarom Ton Derksen de zaak heeft aangemeld bij de commissie Posthumus.)

Er zijn andere meetmethoden gebruikt, met andere monsters, nadat het materiaal lange tijd ingevroren was geweest. Die uitslagen spreken elkaar niet tegen. Ton Derksen denkt van wel, maar dat ziet hij verkeerd. Hij isoleert een deel uit het geheel en plaatst dat in een nieuw verband. Het lijkt overtuigend, maar het is onzin.

Volgens De Wolff had het anders kunnen lopen als er in Nederland naast het NFI - dat onder justitie valt - een onafhankelijk forensisch centrum was geweest dat tegenonderzoek had kunnen verrichten. Hij vindt dat nodig, omdat de forensische wetenschappen zich sneller ontwikkelen dan het NFI kan bijhouden. Daardoor werden er fouten gemaakt in de processen na de moorden in Schiedam en Deventer. Door díe fouten, zegt hij, zijn mensen gaan denken dat er in andere strafzaken ook wel fouten zullen zijn gemaakt.

Waarom wilt u dat de zaak heropend wordt?

Om de twijfel over de digoxinevergiftiging weg te nemen.

En omdat u dan niet meer de schuld zou krijgen van een onterechte veroordeling?

Dat bedoel ik.


Zou het niet mogelijk zijn om een 'workshop' van vnl. toxicologen, waaronder Uges, De Wolff en Koren te beleggen over deze vergiftigingskwestie, waarin De Wolff aan collega's niet juristen uitlegt, hoe hij tot zijn conclusie kwam en waarin die anderen kunnen proberen aan te tonen, dat hij daarbij dingen over het hoofd heeft gezien, waardoor de conclusie verkeerd was? Daarna zou De Wolff dan in het openbaar of in een brief aan Justitie zijn eerdere verklaring kunnen herroepen, of mitigeren.

Dan zou zelfs aan de absurde eis t.a.v. herziening als gevolg van nieuw expert inzicht voldaan worden.

Dr. C. (Kees) le Pair

Eerdere berichten uit de Krant